Domus manus vectoris
Arjen Duinker [versione libera]
(Vulgata: H.M. de Oliveira)

I

Vocatio fluctibus, rubro.
flos labitur per devexa
conferre odorem ad rupem
quiet: libera ad cælo.

Superbia cordis fluctus niger.
oculos furtum improvisa
cum parva folia fert subsidium
tranquillitas cutem tractum marcas.

II

Cilia conteram desiderium.
ruina machinas desiderant.

Cadence labia, cadentiæ sanguine!
Ventum pulverem hostium ubique ventum

Quod tenebris lucet, et nox clara!
cadence digitos, capillos cadence!

Machinas anhelans oleum potum.
cilia videre ólei.

III

Niveis et cacumina furentes clamor ...
in quem finem verba fumus ...
Navis calles absconditum lingua
facit pericula dissimilis in speculum spectant,
augetur in corde maris et ...

ubi flos ostendit pulchritudinem eius
euanescit salsa stillas rorisv sibilus, quasi papilio et in ære.

IV

Tremere cauda
retro, oculos sum
oculos vident enim duobus labiis.

Ubi flos continuando se pulchritudo ...

Navis Fulget ab importunis squamas
incertum navem cursum efferbuerunt
serpentes abyssum circa deliri: ubera,
fulget enim abysso sicut expavit cor.

V

Repente sibi elementa laxandis uiscerum.
fulminis notarent sibi locum ad portum.
Capilli eius odore et ineluctabilis fabulosa.
Navis optaverat obviam tendit res,
pasco inter mutus et sonantis.
Eventus omnes conveniant eligere verba,
Omnia verba congregatos ad faciendum somnia
facit sic bene quod sonitus cessat.

VI

Ante ambulare asseri,
pedes cum illinendum, eiusque calciamenti ingredi columpna.
organum canit intentiones pro mergis fulicisque
Cum fulgurantis costume ex reliquias.
Ambulare antequam asseri soleatus cor.
unum certitudinem traicienti uteri.

speculum augurium circumdabit!

Caligo in somniis Philippines vertiginem,
lotis manibus Thai dolor retro
lucidus somniorum Hispaniæ in statera.
currit centrum a summis digitis,
palmarum iactans supercilium,
mures saltant colli cavi.

VII

Braccæ sibilans cum globulis.
Cumulo lapidum in diaphanum vento.
Mulier poplites manuum ejus brachiis siccat.
quid somnium, lacrimas siccare nubes?
cœ tus verborum est turbine est
Qui habitat in utero, et oris.

ambitum acus hæream speculo ...

dum non labiorum ore,
dum lingua appropinquare sidera,
desiderium exponere crudelitatis
et euanuit, umerus quæstio possibilitatem,
ut labia sorbillat aureum mali,
dum linguis finditur in duas.

VIII

Optimus Lian, amicus, Lian pro navigantibus
ibi est alta, flavis capillis homo; dicit viro alteri:
in Jacohson quæ tetra a cella? Mafia illic agere.
Dempto capitis mei et ego vitam voluptua.
non intelligo quid dicit alius similis tui
intellectu tam pauci ad socialium?
Yin et Yang est, inquit, mali sanescunt.
quod nihil dicit aliud, est tibi gerere.

Ambulat rædam ostiarius aperit,
Splendidam aulam, triclinium ad sinistram
Gradibus ascendimus altera area,
ostium aperit: dominoes ludo,
in oculis igne ardentibus Campanie.
Lian, sumus in Genoa, ego reputabitur quadringenti plateis.
hic in Gandavo perdidi digitis, tantum habet scintillans fons.
Ostendit flore pulchritudo et sana nauta.
suspiciunt, bullulæ saliendo tremore pedes, talum interrogare
respice, bullæ osculans recta mensura.

IX

Verba in sua lingua medietates
et fiunt liberior est liberior est!
ut primum influit ululantium quæ se mutuo,
ambitiosa sub infinita Felix cæli
Operam miraculo grandi et diaphanum
ad astra fluat saliva!

Sacculo prope ad fenestram.
calceamenta fenestra.
cigarettes fenestra.
collaris super lectum.

Linguam autem verba non sint,
sed est lingua bona verborum,
fluctus pubertatis ornata talos.
digiti relaxata humo,
adorandi profundum sentire digitorum positos
digitos expandit atrorubræ pulverem,
æquabis lapsa per auras
digitos se in caligine.

X

Flos ostendit pulchritudinem eius
desiderium liberata est
Suspensi sunt nomina in duas ligaturas uvæ
scribit in cujus cute clavum.

Ubi flos ostendit pulchritudinem
hic et hic liberantur digitorum hic
manus tenaci capillos oleserica
colores spirant infinities infinita.

Ubi flos ostendit pulchritudinem
insecta huru in obscuræ lux,
transitu vultus venter quasi ebrius
brachio odoratur obliviscetur somniorum.

Flos ostendit pulchritudinem eius
clangorem consonantis inspires sonus vocali.

Flos ostendit pulchritudinem eius
papiliones accipere marisque.

Flos ostendit pulchritudinem eius
tempus delineat tattoos in parva folia.

Sailor’s Home
Arjen Duinker.

1
De roep van de golven rood.
Een bloem glijdt door een glooiing
En geeft haar parfum aan een steilte
Die vrij in de lucht zwijgt.

De trots van de golven zwart.
De ogen roven het onverwachte
Dat de striemen op de huid
Met blaadjes kalmeert.

2
De wimpers breken het verlangen.
De motoren stampen het verlangen fijn.

Cadans in de lippen, cadans in het bloed!
Wind, jaag het gruis naar alle kanten, wind!

Laat het glinsteren in het donker, nacht zijn overdag!
Cadans in de vingers, cadans in het haar!

De motoren proeven hijgend van de olie.
De wimpers zien de olie in een waaier.

3
Beukende kammen en gillende snavels…
Uiteinden van woorden in dikke walmen…
Het schip verdoezelt de wegen door het idioom,
Maakt omgekeerde krassen in de spiegel,
Het hart van de zee groeit aan en aan…

Waar de bloem haar schoonheid toont,
Verdampen zoute dauwdruppels in het gefluister
Van vlinder en lucht.

4
Siddering met staart
Op de rug, ogen
Zien twee lippen.

Waar de bloem haar schoonheid toont…

Schittert het schip tussen mateloze schubben,
Slingert het schip naar zijn kolkende bestemming,
Slingert de diepte zich om uitzinnige borsten heen,
Schittert de diepte als sidderend hart.

5
Plotseling laten de elementen hun ingewanden gaan.
Formidabele lichtflitsen markeren de route naar de haven.
De geur van losse haren is fabelachtig en onontkoombaar.
Het schip vaart de splitsing der werkelijkheden tegemoet,
Vaart door geruisloze feiten en feiten die gorgelen.
Alle feiten zijn hier bijeen om woorden te kiezen,
Alle woorden zijn bijeen om dromen te maken,
Zo goed dat er geen klapperende zeilen meer zijn.

6
Al voor de loopplank gaan de voeten,
Van gezouten eelt, in de schoenen op de kade.
Een orgel zingt bedoelingen naar de meeuwen
En hun schitterende kleed van etensresten.
Al voor de loopplank pompt het hart
Een uiterste zekerheid door de buik.

De spiegel betovert de kompasnaald!

Met dromen duizelig in de mist van Nieuw-Caledonië,
Met handen die de pijn van een Thaise rug wassen,
Met dromen glashelder in het evenwicht van Spanje.
De vingers draaiend op de toppen van hun centrum,
De palmen wuivend langs een wenkbrauw,
De muizen dansend in de holte van de nek.

7
Broek met overhemd met toeterende knopen.
De transparante deining in de stenen in de wind.
Een vrouw droogt haar polsen en haar armen.
Welke droom droogt de tranen van een wolk?
De gemeenschap van woorden is een werveling
Die in ingewanden woont, en in de mond.

Kompasnaald betovert spiegel…

Terwijl de lippen de mond niet nodig hebben,
Terwijl de tong volle sterren dichterbij haalt
Om uiteen te zetten hoe wreed verlangen is,
Naar ooglid, schouderblad, vraag, mogelijkheid,
Terwijl de lippen van een sinaasappel proeven,
Terwijl de tong zich vurig in tweeën splitst.

8
Beste Lian, dierbare vriend, Lian, voor het zeemanshuis
Staat een lange man met blond haar die tegen een ander zegt:
In Kopenhagen, in een smerige kelder? Daar logeert de maffia.
En ik word in het leven gehandicapt door mijn dure kop.
Wat ik niet goed begrijp, zegt de ander, hoe kun jij toch
Met jouw intellect zo weinig kijk hebben op sociale processen?
Dat is yin en yang, zegt de lange, kwaad geven en goed krijgen.
Niks van aan, zegt de ander, jij moet gewoon normaal doen.

Een auto rijdt langs, de deur gaat open,
De gang is elegant, links de eetzaal,
Trap klimt gehoekt naar de volgende,
Een deur gaat open: het dominospel,
De ogen brandend, met champagne.
Lian, we waren ooit in Genua, ik telde vierhonderd straten.
Hier in Gent ben ik vingers kwijt, alleen dit glanzende dok telt.
Waar de bloem haar schoonheid toont, is de zeeman op zijn best.
Kijk, belletjes springen van trillende voeten naar vragende enkels,
Kijk, belletjes kussen de diepte tussen de juiste hoeveelheid ogen.

9
De woorden op de helften van de tong
Worden zelfstandiger en onafhankelijker!
Ze beginnen elkaar dingen toe te roepen,
Ambitieus onder een oneindige hemel!
Ze doen hun best, schokkend en transparant,
Om sterren uit speeksel te destilleren!

De tas bij het raam.
De schoenen bij het raam.
De sigaretten bij het raam.
De halsketting op het bed.

Nu zijn de woorden niet meer van de tong
Maar is de tong eigendom van de woorden,
Versierde golven die enkels strelen.
De tenen maken zich los van de vloer,
Adoratie in de diepte voelen de tenen,
De tenen verspreiden roodzwart poeder,
Zacht in de lucht glijden de tenen,
De tenen laten zich zien in een wolk.

10
Waar de bloem haar schoonheid toont,
Maakt het verlangen zich los van later,
Hangen namen in twee trossen van acht,
Krast een nagel de horizon in de huid.

Waar de bloem haar schoonheid toont
Gaan vingers over in hier en hier en hier,
Grijpen handen in sluiers van haar,
Ademen kleuren oneindig het oneindige.

Waar de bloem haar schoonheid toont
Zoemen insekten in onverstaanbaar licht,
Overschrijden ogen de bedwelmde buik,
Ruikt de onderarm vergeten dromen.

Waar de bloem haar schoonheid toont
Inspireert de medeklinker de klinker.

Waar de bloem haar schoonheid toont
Nemen vlinders het zout van de zee.

Waar de bloem haar schoonheid toont
Emailleert de tijd tatouages op blaadjes.